U bent hier

Congres verslagen 2018

  • Langetermijneffect van azitromycine?

    Quitterie Reynaud

    De voordelen van azitromycine als het gaat om chronische Pseudomonas-kolonies in de eerste 6 tot 12 maanden van gebruik zijn uitgebreid aangetoond. Ondanks veelvuldig gebruik in de huidige praktijk, is voortgaande werkzaamheid na 12 maanden onderwerp van discussie. Het doel van dit onderzoek was om de werking van langdurig gebruik van azitromycine te onderzoeken bij 25 patiënten die de behandeling hadden afgebroken nadat ze deze 2 jaar of langer hadden gebruikt. De volgende gegevens werden verzameld uit het landelijke CF register in Tsjechië: klinische gegevens van 25 patiënten, start- en stopdatum azitromycine, aantal exacerbaties per jaar, kolonisatie van stafylokokken en gevoeligheid voor macrolide.

    De gemiddelde behandelduur met azitromycine was 6,8 jaar, de gemiddelde leeftijd bij begin en einde van de behandeling respectievelijk 12,2 en 19 jaar. Tussen het laatste behandeljaar en de daaropvolgende jaren werd een niet-significante toename gezien in de ademhalingsfunctie (FEV1) (+1,875, p = 0,2) en in het gemiddelde aantal exacerbaties per jaar (+0,5, p=0,19) waargenomen. Tijdens hun behandeling met azitromycine ontwikkelden 12 patiënten macrolide-resistente Staphylococcus. Bij 5 van hen werd het pathogeen opnieuw macrolide-gevoelig in het jaar nadat zij behandeling met azitromycine afgebroken hadden.

    In dit retrospectieve onderzoek naar het gebruik van azitromycine op lange termijn werd geen enkel gunstig effect waargenomen op FEV1 of het aantal exacerbaties Het kleine aantal onderzochte patiënten laat echter geen definitieve conclusies toe.

    Referentie

    CONGRES NACFC 2018 - Zaterdag 20 oktober 2018
    TPS05 Registry-based research
    TPS05, Abstract 473: Warning effect of long-term effect of azithromycin

    Spreker: Pavel Drevinek, Praag (Tsjechië)

    Onderwerp: Klinisch
  • Bio-elektrische eigenschappen en medicatierespons gemeten in nasale cellen weerspiegelen metingen in bronchiale cellen

    I Sermet-Gaudelus

    Nasale cellen vormen een interessant maar nog niet volledig gevalideerd onderzoeksmodel.

    Met nasale en bronchiale uitstrijkjes van transplantatiepatiënten bij 17 personen homozygoot voor F508del kon een vergelijkend onderzoek worden uitgevoerd tussen primaire nasale en bronchiale kweekmodellen. De bio-elektrische eigenschappen waren identiek voor alle gemeten parameters. Het correctieniveau in de nasale en bronchiale cellen was identiek. Hoewel er sprake was van intrinsieke variabiliteit was dit in beide modellen overeenkomstig.

    Het aantal genen dat in beide modellen werd uitgedrukt was eveneens identiek. De mate van CFTR-expressie was overeenkomstig, evenals bepaalde specifiek door RNAseq geteste genen zoals EHF, LUC20, SLC26A9, SLC6A14 en SLC9A3.

    Deze waarnemingen rechtvaardigen het gebruik van nasale cellen binnen een platform om de individuele respons te evalueren.

    Referentie

    CONGRES NACFC 2018 - Vrijdag 19 oktober 2018
    In vitro models of CF
    W16.1 – Abstract 161 - Bioelectric properties and drug responses measured in nasal cells reflect those measured in bronchial cells.

    Spreker: Theo Moraes

  • Invoering van een klinische onderzoekscultuur in een centrum voor cystic fibrosis

    Bruno Ravoninjatovo

    Toen Ashley Scotte merkte dat haar patiënten niet op de hoogte waren van klinische studies die in haar centrum werden uitgevoerd en onvoldoende gemotiveerd waren om aan deze deel te nemen, besloot ze binnen het CRCM (129 volwassen en pediatrische patiënten) een 'onderzoekscultuur' in te voeren. Om dit te bereiken sprak een klinische onderzoekscoördinator gedurende 6 maanden met patiënten als deze voor routineafspraken in het centrum waren. Patiënten kregen informatie over deelname aan klinische studies en de lopende klinische studies in het centrum, en kregen antwoord op hun vragen. Aan de hand van vragenlijsten vóór en na werd het belang van deze bemiddeling beoordeeld.

    Na bemiddeling was er een toename te zien in het aantal patiënten dat bekend was met de studies die uitgevoerd werden in het centrum en hun actuele kennis over de voortgang van de studies was groter. De meerderheid van de ondervraagde patiënten staat positief tegenover deelname aan klinische studies in het centrum, terwijl het aantal patiënten dat van deelname afziet is afgenomen. Dit neemt niet weg dat er nog steeds hindernissen bestaan: de tijdsinvestering, de reisafstand tot het centrum, en een te lage longfunctie.

    Hoewel de studiegroep klein was, toont het onderzoek het belang aan van bemiddeling door een klinisch onderzoekscoördinator. Deze kan patiënten en hun omgeving informeren en een vertrouwensklimaat scheppen, waardoor hun interesse om aan klinische studies deel te nemen toeneemt.

    Dit onderzoek zet ons aan tot nadenken over de onderzoekscultuur binnen het CRCM. Het kan zijn dat patiënten onvoldoende geïnformeerd zijn. Maar zijn wij, zorgverleners en artsen, eigenlijk zelf wel voldoende op de hoogte van de lopende klinische studies en de (deelname)voorwaarden, van de inzet en het belang van de studies, om onze patiënten op objectieve wijze te kunnen informeren en hun deelname te vergroten?

    Referentie

    CONGRES NACFC 2018 - Vrijdag 19 oktober 2018
    Quality improvement in clinical research
    W05.2 Incorporating a culture of research into a CF clinic

    Speakers: Ashley Scott, Saint Francis Medical Center, Peoria, Illinois, USA.

    Onderwerp: Klinisch
  • Welke behandeling aan te bieden bij zeldzame mutaties?

    Sébastien Kiefer

    7% tot 10% van de patiënten met uiterst zeldzame mutaties heeft momenteel geen toegang tot nieuwe behandelingen voor cystic fibrosis.

    In het Europese HIT-CF-project, dat in januari 2018 van start ging, werkt het ECFS Clinical Trial Network (ECFS-CTN) samen met een groep van 4 farmaceutische bedrijven en wetenschappelijke verenigingen, om patiënten toegang te bieden tot corrigerende behandelingen.

    De eerste fase van het project bestaat uit het verzamelen van 700 rectale biopten in Europa van patiënten met een of twee uiterst zeldzame mutaties. Hubrecht Organoid Technology (HUB) zal deze biopten omzetten in organoïden. Organoïden zijn multicellulaire structuren die in vitro de microanatomie van het orgaan nabootsen. Ze kunnen gekweekt en enkele jaren bewaard worden.

    De tweede fase bestaat uit het opzetten van een toegankelijke biobank. Door het beschikbaar stellen van deze organoïden aan de drie partnerlaboratoria (Utrecht, Leuven en Lissabon), kunnen toekomstige therapieën worden getest. Vooralsnog zullen zij de belangrijkste medicijnen testen van de deelnemende farmaceutische bedrijven. Zodra de resultaten van de organoïdetesten bekend zijn zullen drie of vier gerandomiseerde, dubbelblinde studies vs. placebo opgezet worden, in eerste instantie voor het testen van één of een combinatie van medicijnen. Inclusie van patiënten zal plaatsvinden op basis van het effect van het product op gekweekte intestinale organoïden, en niet alleen op basis van hun genotype. Dit met het oog op een objectieve analyse van de correlatie in vitro /in vivo.

    Vervolgens kunnen andere testen met medicijncombinaties worden uitgevoerd.

    Een ander uitgangspunt is de mogelijkheid van vergoeding voor een behandeling waarvoor een patiënt niet in aanmerking komt, maar waarop organoïden een relevante respons hebben.

    Deze bank wordt momenteel opgezet.

    Referentie 

    CONGRES NACFC 2018 - Vrijdag 19 oktober 2018
    14 Progress & Promise of CFTR Modulator Pipeline (combination)
    Progressing therapies for Rare Mutations: ex vivo models or Clinical trials

    Speaker: Cornelis Van Der Ent, University Medical center Utrecht

  • Stamcellen: een model voor celtherapieën?

    I Sermet-Gaudelus

    Cellijnen blijken niet te volstaan voor het testen van CFTR-modulatoren per gentype omdat ze het CFTR-DNA op een heterogene wijze exprimeren, zodat afwijkingen in transcriptie of post-transcriptiemodificaties niet geïdentificeerd kunnen worden. Geïnduceerde pluripotente stamcellen vormen een interessant model. Hun expansie is vrijwel onbeperkt, ze kunnen worden aangepast voor genbewerking en kunnen zich omvormen tot de gewenste cellen, bijvoorbeeld respiratoire basaalcellen. De auteurs van het artikel hebben een uitweiding gegeven over het productieprotocol en de zuiveringsprocedure (Hawkins et al., 2017). Met deze tool kan CFTR-expressie en -functioneren gemeten worden (organoïde constitutie). Hun grootste interesse echter ligt in de toepassing voor toekomstige celtherapieën.

    Referentie

    CONGRES NACFC 2018 - Vrijdag 19 oktober 2018
    In vitro models of CF 
    W16.3 – Abstract 163 - IPS cells: relevant models on the road to cell-based therapies

    Spreker: JE Mahoney

  • CF-patiënten met ondergewicht: post-longtransplantatie follow-up in het UNOS-register

    Bruno Ravoninjatovo

    Bij patiënten met gevorderde cystic fibrosis vormt ondervoeding een belemmering bij longtransplantatie. Om te bepalen of het beloop bij ondervoede transplantatiepatiënten hetzelfde is als bij transplantatiepatiënten zonder cystische fibrose, vergeleek Kathleen Ramos alle Amerikaanse patiënten uit de UNOS-database die tussen 2005 en 2015 een longtransplantatie ondergingen. Zij gebruikte daarbij een BMI-drempelwaarde van 17 op het moment van transplantatie (referenties van WHO en Amerikaanse centra). De analyse toont aan dat de gemiddelde overlevingsduur 7 jaar is voor transplantatiepatiënten met cystic fibrosis en een BMI <17, tegen 8,2 jaar voor deze patiënten met een BMI >17. Daarentegen lijkt de BMI geen effect te hebben op de overlevingsduur van patiënten met pulmonaire fibrose of COPD: ongeacht hun BMI bedroeg de mediane overleving bij deze patiënten 6,5 jaar.

    De post-transplantatie overleving bij CF patiënten met ondervoeding (BMI <17) is zodoende gelijk aan die van patiënten met COPD of pulmonaire fibrose. Daarbij moet echter rekening worden gehouden met de beperkingen van dit onderzoek, met name het retrospectieve karakter, het ontbreken van een specificatie van ondervoeding, het feit dat de populaties niet homogeen zijn, en mogelijke bias door patiënten met een zeer laag BMI.

    Referentie

    CONGRES NACFC 2018 - Vrijdag 19 oktober 2018
    Lung transplantation in CF
    W13.2 - Underweight patients with CF: post-lung transplant survival in the UNOS registry.

    Spreker: Kathleen Ramos, Universiteit van Washington, Seattle (VS).

    Onderwerp: Klinisch
  • Nonsense mutaties gekoppeld aan premature stopcodons in gecorrigeerde 16HBEo-cellijnen verschillen in gevoeligheid voor het mRNA-afbraaksysteem

    I Sermet-Gaudelus

    Cellijnen met heterologe expressie zijn van beperkt belang, omdat ze geen introns omvatten. In de context van het onderzoek van nonsense mutaties gerelateerd aan premature stopcodons (PTC) met defecten kan hierdoor het NMD-systeem, dat de mRNA's afbreekt die deze PTC's bevatten, niet worden bestudeerd.

    De cellijn die is vastgesteld door D Gruenert, 16HBE14o-, wordt door SV40 vereeuwigd en is gevoelig voor het NMD-systeem. Hierdoor kunnen in verband met V470 of M470 via CRISPR/Cas9 verschillende homozygote lijnen worden gegenereerd voor G542X, W1282X, Y122X, R553X, R1162X, G551D, N1303K en F508Del. Met deze modellen kan bij nonsense mutaties het niveau van het mRNA-afbraaksysteem in de basale toestand worden getest. Hierdoor kan worden gecontroleerd of het transcriptieniveau volgens verwachting is verlaagd voor de 3 mutaties G542X, W2283X en Y122X. Deze lijnen maken ook differentiële farmacologische evaluatie mogelijk van de NMD-remming door SMG1 – een krachtige NMD-remmer – en van de uitlezing met G418. De remming van NMD wordt getest door het gecorrigeerde mRNA-niveau; het uitlezen door het herstel van CFTR-activiteit in de kamer van Ussing. De mutatie W1282X is bijvoorbeeld erg gevoelig voor het NMD-systeem, maar reageert weinig op G418, in tegenstelling tot Y122X.

    Deze waarnemingen tonen aan dat de context van de PTC het uitlezen beïnvloedt en illustreren de relevantie van deze cellijnen.

    Referentie

    CONGRES NACFC 2018 - Vrijdag 19 oktober 2018
    In vitro models of CF
    W16.4 – Abstract 164 - CFTR PTC variants expressed in gene edited 16HBE14O-cel lines show differential sensitivity to nonsense mediated decay

    Spreker: HC Valley

  • Kan een betere longconditie invloed hebben op het optreden van CF-gerelateerde diabetes?

    Quitterie Reynaud

    Heeft een verbetering in de algehele conditie van pediatrische CF patiënten, en meer in het bijzonder hun ademhalingsfunctie, invloed op de incidentie van diabetes? Van 2000 tot 2016 werd op basis van de gegevens van het Canadian Cystic Fibrosis Registry (CCFR) een retrospectief onderzoek uitgevoerd om de risicofactoren voor diabetes te bepalen bij patiënten in de leeftijd van 10 tot 18 jaar, bij wie jaarlijks een OGTT was uitgevoerd. Er werd ook een subgroep onderzocht met uitsluitend patiënten uit het centrum van Toronto.

    Dit onderzoek werd uitgevoerd onder 3.139 patiënten, waarvan 514 patiënten met diabetes, gediagnosticeerd bij een gemiddelde leeftijd van 14,9 jaar. De in de multivariate analyse aan diabetes gerelateerde risicofactoren waren de volgende: vrouwelijk geslacht, homozygoot delF508-genotype, leeftijd, allergische broncho-pulmonale aspergillose (ABPA), en CF-gerelateerde leverziekte (CFLD).

    De totale incidentie van diabetes was 2,36 per 100 patiënten per jaar. Een vergelijking van de drie opeenvolgende periodes 2000-2004, 2005-2009 en 2010-1016 laat een significante afname zien in de incidentie van diabetes gedurende de drie geanalyseerde perioden: van 4,56 tot 2,25 per 100 patiënten per jaar (p = 0,001). Deze significante afname was groter bij de subgroep van patiënten uit Toronto, waarschijnlijk omdat de gebruikte methoden voor screening en bevestiging van de diagnose in deze subgroup perfect homogeen waren.

    De incidentie van diabetes in de Canadese pediatrische populatie lijkt derhalve af te nemen, in tegenstelling tot de toenemende incidentie van diabetes Type 1 en 2 in de algehele Canadese pediatrische populatie. Deze veranderingen kunnen worden verklaard door een algehele verbetering van de longconditie en het ontstekingsbeeld die verband houden met deze ziekte.

    Referentie

    CONGRES NACFC 2018 - Vrijdag 19 oktober 2018
    W14 Endocrine
    W14.4: Abstract 652: Does improved lung health change the incidence of CF-related diabetes?

    Spreker: Lucy Perrem, Division of Respiratory medicine, The hospital for Sick children, Toronto, Canada

    Onderwerp: Klinisch
  • Is palliatieve zorg geschikt voor CF patiënten die opgaan voor een longtransplantatie?

    Bruno Ravoninjatovo

    Er bestaat geen standaard werkwijze als het gaat om de positie van palliatieve zorg bij longtransplantaties. In het onderzoek dat door Elisabeth Delon van de Chapel Hill Universiteit werd gepresenteerd is het belang geanalyseerd van palliatieve zorg bij patiënten die wachten op transplantatie, gezien vanuit het perspectief van de 3 betrokken partijen: de patiënt, de omgeving en de zorgverleners. Voor alle groepen, en met name voor zorgverleners, heeft palliatieve zorg een duidelijke plek bij cystic fibrosis. De aanpak verschilt echter van die bij andere ziektes, met name vanwege het onvoorspelbare beloop van de ziekte en het isolement van de patiënt.

    In deze context beschouwen zorgverleners transplantatie als onderdeel van de levensloop, terwijl palliatieve zorg gezien wordt als het levenseinde.

    Aanvullend onderzoek is nodig om te bepalen wat palliatieve zorg patiënten bij hun transplantatie kan bieden.

    Referentie

    CONGRES NACFC 2018 - Vrijdag 19 oktober 2018
    Lung transplantation in CF
    W13.3 - Is palliative care appropriate for patients with CF pursuing Lung transplantation?

    Spreker: Elisabeth Delon, University of North Carolina, Chapel Hill, USA.

    Onderwerp: Klinisch
  • Werkzaamheid/toxiciteit bij de behandeling van niet-tuberculeuze mycobacteriële infecties: een lastig evenwicht ?

    Quitterie Reynaud

    Niet-tuberculeuze mycobacteriële infecties vereisen een langetermijnbehandeling met een combinatie van antibiotica, die kan resulteren in toxiciteit en geneesmiddeleninteracties. Het evenwicht tussen werkzaamheid en toxiciteit en het monitoren van serumwaarden zijn van het grootste belang. Bij de behandeling van patiënten met cystic fibrosis moet tevens rekening gehouden worden met de specifieke farmacokinetische context van deze patiënten, zoals een grotere klaring en een hoger distributievolume, renale eliminatie en een slechtere biobeschikbaarheid, waardoor hogere doses vereist zijn. Ook kunnen comorbiditeiten als malabsorptie, levercomplicaties en diabetes van invloed zijn op de absorptie van antibiotica.

    De behandeling van mycobacteriën met medenemen van de gebruikte doses en het monitoren van antibioticaspiegels, is gebaseerd op de richtlijnen van de CFF en ECFS, geëxtrapoleerd uit patiënten zonder cystic fibrosis. Voor veel antibiotica is de optimale dosering in deze specifieke populatie niet bekend. Dit is een belangrijke factor en kan leiden tot resistentieproblemen of suboptimale behandeling vanwege onderdosering. Het monitoren van aminoglycosidewaarden (amikacine en streptomycine) wordt aanbevolen. Buiten deze behandelingen vormt het monitoren van bloedwaarden geen standaardaanbeveling, behalve in geval van falende behandeling of geneesmiddeleninteracties. Vooralsnog is er weinig bekend over de correlatie tussen medicijnspiegels in serum, farmacodynamische targets en klinische behandeldoelen. Geneesmiddeleninteracties zijn ook talrijk vanwege modulatie van cytochroom P450, met name bij behandeling met rifampicine en CFTR-modulatoren. Naast ototoxiciteit en nefrotoxiciteit zijn bijwerkingen als QT-verlenging, verkleuring van de huid, fotosensitiviteit, neuropathie en leukopenie. Veel van deze bijwerkingen zijn dosisafhankelijk en kunnen tot een verlaging van de dosis en verminderde werkzaamheid van de behandeling leiden.

    Referentie

    CONGRES NACFC 2018 - Vrijdag 19 oktober 2018
    The multidisciplinary care of the CF patient with NTM (care)
    S16.3 - Balancing efficacy and toxicity in NTM medication regimens 

    Spreker: Laura Brennan, Pharmacy, Children’s hospital of Colorado, Aurora

    Onderwerp: Klinisch

Pagina's